Waar we eerder als orthopedagogen vaak over het kind spraken, spreek ik nu veel vaker met het kind. Ik vertel je graag over een praktijkcasus die dit laat zien.
Tijdens het afnemen van een intelligentieonderzoek en observatie leer ik een meisje uit groep 7 op een basisschool kennen. Vooraf vertellen haar ouders me al dat zij een enorme wervelwind is: ze leert haar toetsen terwijl ze de handstand doet en zwiert rond op haar bureaustoel. Op school is dit echter heel erg anders. Hier valt ze helemaal niet zo op. Daar komt mijn observatie om de hoek kijken…
Met hyperfocus zit ik achterin de klas en let ik een uur lang specifiek op deze leerling. Hierdoor krijg ik een goed beeld van wat er gebeurt. Bij dit meisje is het antwoord: heel erg veel… Frunniken aan haar hoofddoek, even de neus snuiten, iets uit haar laatje halen, erin terug doen en nog veel meer gewiebel en gefriemel. Van écht lezen komt weinig terecht.
Tijdens een gesprek met de leerling, komen we samen tot een mooi inzicht: het meisje is eigenlijk een soort puppy met veel energie! Dat is een mooi haakje om in kinderlijke bewoording op door te vragen: Wat gebeurt er met een puppy als je die in een hokje zou opsluiten?, vraag ik haar. Dan zou ie ontploffen, is haar antwoord. Maar, zegt ze, ik heb al manieren gevonden om mijn energie kwijt te kunnen. Dan ga ik gewoon stiekem mijn neus snuiten en kan ik even uit het kooitje.
Terwijl we het er zo over hebben, vindt dit meisje eigenlijk dat de leerkrachten dit over haar moeten weten, zodat het niet meer stiekem hoeft. Het vertellen vindt dit meisje erg spannend, maar uiteindelijk wordt dit een heel mooi gesprek met ouders, leerkracht en dit meisje zelf. We komen echt tot de kern van hoe dit meisje zich presenteert in de klas en wat er daadwerkelijk in haar binnenwereld gebeurt. Deze leerling en leerkracht hebben nu aanknopingspunten om de puppy te geven wat zij nodig heeft: een beetje ruimte om uit het kooitje te stappen.
Dit is wat mijn werk mooi maakt: met elkaar ervoor zorgen dat je het kind écht ziet!



